Share this article

De wijze waarop Kant en ik elkaar beïnvloed hebben

Immanuel Kant en ik hebben een speciale band met elkaar gehad. We hebben elkaar nooit in levende lijve ontmoet. Kant woonde in Koningsbergen, in het noordoosten in Pruissen, aan de kust van de Oostzee. Ik woonde in Breslau, ongeveer 650 kilometer daarvandaan. Beide waren we honkvast en kwamen eigenlijk nooit onze stad  uit. We kennen elkaar via  publicaties en hoe we op elkaars werk reageerden.


Ik respecteerde Kant om de breedte en diepgang van zijn werk. Hij was wat men noemde een 'systeemfilosoof'; een filosoof die de hele wereld en wat daarbuiten is in een groot kloppend geheel met elkaar wilde verbinden. In de ogen van Kant was ik een soort van 'damesfilosoof'; een filosoof die zich er wat gemakkelijk vanaf maakte, aan de oppervlakte bleef en popiejopie schreef voor de gegoede burgerij, die in de salons dan over mijn werk konden babbelen.


Overigens, het begrip 'damesfilosoof' kan anno nu absoluut niet meer gebruikt worden, tenzij je jezelf tot de manosfeer rekent. En dan nog; het begrip is belachelijk denigrerend. Dat werd destijds ook al wel een beetje gevoeld. Daarom ben in de geschiedenis ingegaan als vertegenwoordiger van de zogeheten 'Popularphilosophie'.


Kant, als systeemfilosoof, is de tijd ingegaan als het boegbeeld van de Duitse Verlichting en het Duits Idealisme . En toch, ik heb het beeld dat ik ook in Kant zit, dat ik Kant in zijn denken beïnvloed heb. Ik leg graag mijn kant van het verhaal uit. En ik weet inmiddels van Nietzsche dat er geen waarheid is, dat alles perspectief is. Hier dus mijn perspectief.


Het begon, wat mij betreft, in 1781 met de publicatie van Kants boek 'Kritiek van de zuivere rede'. Ik vond dat een onbegrijpelijk boek. Ik heb daar destijds een recensie over geschreven in een krant en ik was niet de enige die kritiek op het werk had. Kant was hierover nogal verbolgen. Aan ego had hij geen gebrek. En hoewel hij mij dan verweet een damesfilosoof te zijn die voor het grote publiek schreef. Ik vond dat hij dan misschien wel een goede filosoof was; hij was in ieder geval een slechte schrijver.


Leuk was dan wel weer dat Kant het zich niet over zijn kant had laten gaan en zijn hele theorie over de zuivere rede op een meer toegankelijke manier op was gaan schrijven in de Prolegomena. Dit boek was absoluut beter leesbaar, maar zijn theorie bleef even academisch onbegrijpelijk.


Een tweede moment was mijn publicatie 1783 van de vertaling van Cicero's "Over de plichten" (de Officiis). In dit boek vertaalde ik Cicero's beroemde boek over plichten, deugd en burgerschap naar het Duits en voegde er uitgebreide filosofische commentaren aan toe, gericht op de Pruisische samenleving van dat moment. Achteraf gezien is dit mijn meest succesvolle publicatie geweest. En de publicatie had ook veel invloed op het denken over moraal, ook bij Kant zoals ik later heb beseft.


Kant heeft mijn boek erg gewaardeerd, heb ik begrepen. Ik denk ook dat het heeft bijgedragen aan zijn idee van de Categorisch Imperatief, waar hij ook veel roem aan te danken heeft gehad.  Kant had het idee van de Categorisch Imperatief opgenomen in zijn boek 'Fundering van de metafysica van de zeden' uit 1785. Een jaar na het verschijnen van mijn vertaling van Cicero.


Toen in 1797 - uiteindelijk - Kants boek 'Metafysica van de zeden' verscheen constateerde ik dat daar veel in verwerkt zat wat diens wortels had in Cicero en in mijn vertaling van destijds. Ik waardeer het dat Kant mij in het voorwoord van het boek expliciet noemt en aangeeft dat ik een 'filosoof in de echte zin van het woord' ben.


Of het oprechte waardering was of een indekken vooraf; ik weet het niet. Wel bleef Kant voor mij ook in dit boek veel te abstract en veel te veel vanuit de ratio redeneren. Voor mij was dat mede aanleiding om het thema moraal nog een keer bij de kop te pakken.


In 1798 publiceerde ik, vlak voor mijn dood, het boek "Übersicht der vornehmsten Principien der Sittenlehre". In dit boek geef ik een historisch overzicht van de ontwikkeling van het denken over zeden en de moraal. Ik weet niet hoe Kant dit werk beoordeeld heeft. Ik heb het niet meer mee mogen maken.


Kant was een groot en abstract denker; absoluut. Ik heb veel respect voor hem gehad. We hadden echter een verschillend idee over de rol van filosofie in het leven. Mijn insteek is altijd geweest; wat heb ik eraan in mijn leven van alledag. Het moet praktisch en laagdrempelig zijn.

Recente artikelen

afbeelding bij de fabel de dansbeer, bron 'Fabeln und erzaehlungen', Gellert, 1989.
door Christian 16 juni 2026
Een fabel met een twist