Over een brief aan zijn moeder
Inleiding
In 1830, ruim dertig jaar na het overlijden van Christian Garve, is er een boek uitgebracht met een selectie van brieven die Christian in de periode 1770-1772 aan zijn moeder heeft geschreven. Het boek werd uitgegeven op een moment dat de populariteit van Garve al een paar decennia verdampt was. Garve had inmiddels het stempel gekregen van een klassieke figuur van de Duitse Verlichting.
Onder invloed van de Romantiek groeide in de eerste decennia van de 19e eeuw de belangstelling voor dagboeken, autobiografieën en persoonlijke correspondentie. Men was steeds meer op zoek naar het innerlijke leven van grote schrijvers en denkers. Men wilde niet alleen weten wat iemand dacht, maar ook hoe hij mens was geworden.
Zo ontstond ook voor Christian Garve een hernieuwde interesse. Zijn brieven werden nu niet meer gelezen als een inkijkje in zijn privécorrespondentie, maar als documenten die inzicht gaven in het ontstaan van een belangrijk denker én in de geest van een voorbij tijdperk. En inderdaad, de brieven laten een persoonlijke kant van Christian zien, een kant die hij in zijn eigen publicaties altijd goed verborgen had weten te houden.
Uit de brieven komt naar voren wat Christian zoal bezig hield in de periode dat hij in Leipzig woont. We lezen hoe hij bezig is met het sociale netwerk en welke stappen hij neemt om de goede contacten te leggen, voor zichzelf en voor anderen. Hij toont zich echt als een burgerman uit de middenklasse, die zich naar een hogere klasse toe wil werken, met de deugden, waarden en normen die daar bij horen.
Maar hij geeft in de brieven ook een kwetsbare kant bloot. Als lezer krijg je een inkijkje in wat hem bezighoudt, hoe hij zichzelf ziet en hoe hij zich probeert te analyseren. Eigenlijk een soort van psychologische kant van hoe de mens in elkaar zit; hoe hij zelf in elkaar zit.
Een leuk voorbeeld hiervan is de brief van 20 januari 1770. Het is een korte brief. Ik heb de brief zo goed mogelijk proberen te vertalen uit het Duits naar het Nederlands met de ambitie zo dicht mogelijk op de originele tekst te blijven, maar wel een beetje in het huidige Nederlands om het ook prettig leesbaar te houden. Lees je even mee?!
De brief
Leipzig, 20 januari 1770
Liefste Mama,
Vandaag heb ik een schuld van mij afgedaan. - Ik verricht het werk zeer graag. Alleen het eraan beginnen kost mij moeite. En zo gaat het bijna met al mijn andere werkzaamheden ook. Ik stel uit, ik stel steeds weer uit.
Nu zult U wellicht zeggen: Dat is niets nieuws, mijn lieve zoon; en dat belooft weinig goeds. En inderdaad, zo schijnt het wel. Toch kan het niet anders zijn. Er leeft in de mens een zekere aandrang, die uit het diepste en donkerste deel der ziel opwelt. Juist daarom is hij de krachtigste. Men weet dikwijls niet waarom men het ene begeert en het andere afwijst; en juist daarom is het zo moeilijk zichzelf te overwinnen. Zodra ik mij aan een werk zet, overvalt mij een zekere beklemming: een wantrouwen jegens mijzelf, een vrees dat de onderneming niet zal lukken, een moedeloosheid die mij neerdrukt.
In het algemeen heb ik opgemerkt dat veel van onze fouten uit lafheid voortkomen, een gebrek aan moed. Niet uit lafheid tegenover het gevaar, maar uit een soort terugdeinzen tegenover de te nemen moeite. Het doel ligt voor ons; wij verlangen het te bereiken, doch eer wij het naderen, raken wij verstrikt in twijfel, verdriet of loomheid, of wij laten ons afschrikken door bezwaren waarvan wij de ware omvang niet weten te beoordelen. Zo trekken wij ons telkens terug, al blijft het verlangen om het doel te bereiken onverminderd bestaan.
Maar nu de toepassing.
"Hoe staat het met het werk aan de verhandelingen?": zult U vragen.
Ik ben er zeer tevreden over, want ik heb er tot dusver nog niets aan bedorven. En dat is, zolang ik nog niets aan de zaak gedaan heb, het beste wat ik ervan zeggen kan.
Schrik daar niet van. Omdat ik er voorlopig toch niets aan kan doen, ben ik volkomen rustig. Ik heb tot nu toe aan de bibliotheek en met mijn colleges zoveel te doen gehad als ik maar wilde. Daarnaast wil ik ook graag iets voor mezelf doen. Maar dat kan gerust wachten, totdat ik er de nodige rust en gelegenheid voor heb.
Uw brief zal ik een volgende maal beantwoorden. Blijf mij intussen welgezind.
Leef wel.
Reflectie
Wat mij in deze brief treft, is hoe modern hij eigenlijk aandoet. Christian beschrijft wat wij tegenwoordig waarschijnlijk uitstelgedrag, faalangst of perfectionisme zouden noemen. Hij zegt eigenlijk:
“Ik houd van mijn werk, maar juist omdat het zoveel voor mij betekent, durf ik er nauwelijks aan te beginnen. Het is niet de arbeid die mij tegenstaat, maar de angst dat ik niet zal slagen.”
De brief heeft ook een duidelijke morele boodschap. De brief begint met een bekentenis; “hij heeft een schuld van zich afgedaan”. Het beeld dat Christian hier geeft gaat over een onafgemaakte taak, die voor hem voelt als een schuld die op hem drukt.
Hij gebruikt “schuld” dus niet zozeer juridisch of financieel, maar als een morele verplichting die hij eindelijk heeft ingelost. Dat sluit ook aan bij de rest van de brief, waarin hij schrijft over uitstelgedrag, innerlijke weerstand en de opluchting die een begonnen of voltooide taak kan geven.
Wat ook naar voren komt is een gebrek aan vertrouwen in eigen kunnen. “Hij is er nog niet aan begonnen, dus heeft hij het ook nog niet kunnen bederven”. Dit gevoel van onzekerheid over zichzelf, dat hij bang is er een potje van te maken, komt in meerdere brieven naar voren.
Christian lijkt in zijn brieven een onzeker mens, iemand die bang is om fouten te maken, iemand die geen flater wil slaan. En er dus maar niet aan begint. Weifel, weifel, twijfel.
Voor een brief uit 1770 vind ik dit best een scherpe psychologische observatie die iemand over zichzelf doet.




