Share this article

Christians brieven aan zijn moeder

Inleiding

 

In 1830, ruim dertig jaar na het overlijden van Christian Garve, is er een boek uitgebracht met een selectie van brieven die Christian in de periode 1770-1772 aan zijn moeder heeft geschreven: “Christian Garve’s Briefe an seine Mutter“. Het boek werd uitgegeven op een moment dat de populariteit van Garve al een paar decennia verdampt was. Garve had inmiddels het stempel gekregen van een klassieke figuur van de Duitse Verlichting.

 

Uit de brieven komt naar voren wat Christian zoal bezig hield in de periode dat hij in Leipzig woonde. We lezen hoe hij bezig is met het sociale netwerk en welke stappen hij neemt om de goede contacten te leggen, voor zichzelf en voor anderen. Hij toont zich als een burgerman uit de middenklasse, die zich naar een hogere klasse toe wil werken, met de deugden, waarden en normen die daar bij horen.

 

Maar dat is de ultrakorte samenvatting hoog over. Als we een klein tandje dieper gaan, zien we ook de meer persoonlijke kant. Als lezer krijg je een inkijkje in wat hem bezighoudt, hoe hij naar zijn situatie in Leipzig kijkt en hoe hij zichzelf ziet. Soms probeert hij dat te analyseren, maar vooral lees je het in de openhartige manier hoe hij er aan zijn moeder over schrijft.

 

Het lezen van de brieven geeft mij de volgende afdronk. Allereerst lijkt Christian mij een man waarbij het glas steeds ‘half leeg’ is; dingen vallen niet tegen, iets verloopt niet zo slecht als hij gedacht had en het eten smaakte niet vies. Dié houding dus om naar de dingen te kijken.

 

Die houding komt ook sterk naar voren in de manier waarop hij de dingen aanpakt. Of eigenlijk, nier aanpakt. Christian stelt graag iets uit. “Zolang je er nog niet aan begonnen bent, kan het ook niet verkeerd gaan”: komt vaak terug. Dat past ook heel erg op de tegeltjeswijsheid ‘komt tijd, komt raad”, die hij te pas en te onpas in de brieven letterlijk zo gebruikt.

 

En, is dan de tijd voor iets aangebroken, dan vraagt hij steevast zijn moeder om de raad, die er bij hem zelf nog niet gekomen is. Uit zijn brieven komt het beeld naar voren van een man van 28 jaar, die allesbehalve zelfstandig en zelfverzekerd is. Hij twijfelt, hij stelt uit en hij voelt zich in Leipzig niet op zijn plek, terwijl hij er toch graag wil zijn.


Eenzaamheid


Hij voelt zich eenzaam. In een brief geeft hij aan zijn moeder aan wat hij met die eenzaamheid bedoelt; het ontbreken van familie waar je naar toe kan. Hij heeft wel een paar vrienden waar hij vaak over de vloer komt. Zo vaak, dat hij zich familie voelt.

 

Maar het is meer dat hij zich heel graag familie wil voelen. Het doet hem dan bijvoorbeeld heel veel pijn als de vrouw des huizes hem bij anderen introduceert als ‘de vriend van mijn man’. Hij wil zich als familie geaccepteerd voelen en niet als ‘vriend van…’.

 

Christian heeft het in zijn brieven vaak over de constructie dat zijn moeder in Leipzig komt wonen, zodat hij ook een eigen plek heeft waar een huishouden gerund wordt en je gasten uit kan nodigen. Hij mist een eigen woning waar een vrouw het huishouden in de hand heeft.

 

Het is bij die passages in de brieven dat ik me besef dat Christian de hele tijd in Leipzig eigenlijk op kamers woonde. Hij huurde een kamer bij iemand met soms de mogelijkheid om ook mee te kunnen eten. Lukte dat niet, dan moest hij het hebben van eten van een lokale traiteur of uitgenodigd zijn bij vrienden of kennissen. Hij moest dan maar afwachten met welk gezelschap hij die avond door moest brengen.

 

Dat vond hij vaak best lastig. Hij miste de ‘luchtigheid’ om zich in een gezelschap prettig te vinden en om prettig gezelschap te kunnen zijn. Christian was geen man die makkelijk over koetjes, kalfjes en het weer kon praten. Het moest bij hem altijd ergens over gaan, een bepaalde mate van diepgang hebben. Dat kon hij alleen met mensen waar hij zich op zijn gemak bij voelde.

 

Maar hij had dus geen eigen plek waar hij zelf gasten uit kon nodigen om bij hem te eten en met hem over thema’s in gesprek te gaan. Hij kon zelf ook niet koken. Op huishoudelijk gebied kon hij niets. In zijn tijd gold dat voor meer mannen. Er was een hele duidelijke rolverdeling tussen de man, die het inkomen verzorgde, en de vrouw, die het huishouden bestierde.

 

Trouwen wilde hij niet en dus was zijn moeder de enige optie om een eigen huishouden te kunnen hebben. Meerdere keren komt zijn verlangen naar voren om vanuit een eigen huishouding de mensen uit te nodigen die hij graag bij elkaar wilde hebben.

 

Ik heb beeld dat deze disbalans tussen ‘steeds op visite moeten gaan’ en ‘geen eigen plek hebben om mensen uit te nodigen’, iets gedaan heeft met de manier waarop Christian in het academische leven van Leipzig geaccepteerd werd en – vooral - hoe hij zichzelf voor dat leven diskwalificeerde. Het schuurde dat hij ergens bij wilde horen waar hij, op het niveau dat binnen die stand gewoon was, zelf niet aan kon voldoen.

 

Met die Leipzig-er academische klasse en Christian was trouwens ook nog iets anders aan de hand. In 1770 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar wiskunde en logica aan de universiteit. Die benoeming was niet onomstreden. Uit de brieven blijkt dat Christian zelf ook verrast was over de plotselinge benoeming.


Benoeming


Die benoeming was niet volgens de gangbare procedure verlopen. Het had de zweem van vriendjespolitiek. De benoeming had ook kwaad bloed gezet bij colleges op de universiteit. Dit sentiment was ook op Christian persoonlijk gericht, die verweten werd via-via aan het baantje gekomen te zijn, maar eigenlijk geen serieuze kandidaat te zijn voor de functie.

 

En misschien was dat ook wel het geval. Uit zijn brieven komt naar voren dat Christian heel erg bezig was met wie, wat voorstelt en wie met wie contact moest leggen om een zetje te krijgen, om geholpen te kunnen worden. Hij was heel druk met het sociale netwerk om daar voordeel uit te halen.

 

Als versgebakken buitengewoon hoogleraar moest hij vier vakken doceren. Twee van die vakken vond hij niet leuk om te geven, laat staan om zich daar zelf in te verdiepen. Dat gaf hem de nodige stress. Daarnaast had hij veel moeite met de tijdlijnen waarbinnen dingen gereed moesten zijn: dat betrof zijn lesprogramma, zijn colleges en de werken die hij zelf moest schrijven.

 

Met iemand die onzeker van zichzelf is, iemand die graag dingen uitstelt, is het halen van tijdlijnen waar de producten ook nog van een bepaald kwaliteitsniveau moeten zijn, de gegarandeerde weg naar wat we nu burn-out zouden noemen.

 

Tel daarbij op dat Christian ook een hypochonder was die bij ieder pijntje en hoestje zich ziek en zieker voelde. Een rode draad door al zijn brieven heen is hoe het met zijn gezondheid gaat. Het is een constant ‘ik voel me de laatste weken of dagen slechter dan daarvoor’.

 

Soms gaat het weer wat beter, maar dan is er weer iets anders waar hij zich zorgen over maakt. De kamer te koud, te veel regen voor de tijd van het jaar, een nieuw dieet. Ja, als doorkneed hypochonder had hij constant gedoe met maag en spijsvertering. In die zin zou hij met Nietzsche een leuk duo gevormd kunnen hebben.

 

En die gevoelens zich ziek en niet fit te voelen hadden natuurlijk een direct effect op de druk die hij voelde vanuit zijn werk. En maar weer uitstellen. Als je zijn brieven leest is het geen wonder dat hij in 1772 stopt met zijn functie aan de universiteit en teleurgesteld terug gaat naar Breslau om bij zijn moeder te gaan wonen.

 

Hij kon simpelweg niet wennen aan het drukke sociale leven in Leipzig. Hij had niet de financiële middelen om zich in de positie te brengen die bij die klasse hoort, een eigen huishouding. In de brieven komt vaak naar voren wat dit en dat wel niet allemaal kost. De brieven zijn doorspekt van de burgerlijke spaarzaamheid en zuinigheid, die zo kenmerkend is voor de maatschappelijke klasse waar Christian toe behoorde.

 

Hij had ook niet het karakter om zich makkelijk onder mensen te begeven en aangenaam gezelschap te zijn; iemand die je graag ziet en graag helpt. Hij klampte zich vast aan twee goede vrienden (de schrijver Christian Felix Weiße en de theoloog Georg Joachim Zollikofer), die voor hem het surrogaat waren voor de familie die hij zo enorm miste (zijn moeder en zijn nichtje Julchen).

 

Zijn tijd in Leipzig heeft daartegenover wel geleid tot het eerste werk waar Christian enige naam en faam met heeft kunnen verwerven; zijn vertaling van Adam Fergusons ‘Grundsätze der Moralphilosophie’. Dit werk verscheen in 1772, het jaar dat Christian wegens aanhoudende gezondheidsproblemen zijn professoraat beëindigde en definitief terugkeerde naar Breslau. 

 

Een droom was teneinde, was deceptie geworden. Christian vraagt zich in zijn brieven (en dat begon al in 1770) meerdere keren af waarom hij toch het idee heeft gehad dat hij een geleerde moest worden die de hele dag in een studeerkamer met zijn neus in de boeken moest zitten, zonder beweging van lijf en leden, een gebrek aan beweging waar je alleen maar ziek van werd.

 

Waarom was hij niet bijvoorbeeld boer geworden? Lekker de hele dag in de buitenlucht, gezond bezig zijn met je lichaam en je spieren, in de natuur en niet in die duffe, bedompte, donkere studiehokken.

 

De brieven actueel bekeken

 

De hele brievenreeks komt op mij over als het nadenken van een man dat een baan in de wetenschap, een baan die je met je hoofd moest doen, beter leek dan een baan waar je met je handen bezig was. Je zou meer succesvol zijn. Je kon met die baan stijgen op de ladder van de maatschappelijke klassen. Hij kwam tot het inzicht dat een dergelijke baan helemaal niet beter was, niet voor hem, dat het een illusie was geweest om dat te denken.

 

En dat maakt Christian ook meteen weer actueel. Ook in onze tijd, in onze samenleving denken we dat een baan op academisch niveau beter is dan op ambacht-niveau. Daarom pushen we alle kinderen om een academische opleiding te doen. Je moet een academische studie gevolgd hebben om succesvol te kunnen zijn. Hoofdwerk wordt immers beter betaald dan werken met je handen.

 

Dat mensen daar dan misschien in hun werk ongelukkig van worden, ziek van worden, is niet belangrijk. Je moet geld verdienen, je moet meer geld verdienen, je moet nog meer geld verdienen. Je moet vermogen op kunnen bouwen om echt rijk te worden.

 

Dat is de mantra in onze hedendaagse westerse samenleving. De toename van het aantal mensen met burn-out klachten is bijeffect, dat weer zijn eigen, hoog opgeleide bedrijfstak van werk voorziet.

 

Blijkbaar is deze illusie van alle tijden. Christian heeft op tijd eieren voor zijn geld gekozen. Dat zouden meer mensen moeten doen!

Recente artikelen

door Christian • 25 oktober 2026
Over het veranderen van begrippen
door Christian • 24 oktober 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel 2
door Rob • 17 oktober 2026
We zijn allemaal 'mee-weters'
door Rob • 12 september 2026
Over een brief aan zijn moeder
door Friedrich Nietzsche • 6 september 2026
Over eenzaamheid
door Christian • 5 september 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel I
door Rob • 4 september 2026
Brieven aan een vriendin
door Christian • 28 augustus 2026
Over Plutarchus
door Rob • 16 augustus 2026
Pleidooi van een rebel
door Christian • 14 augustus 2026
De Burgerlijke Air
Show More