Gezelschap en eenzaamheid - deel 2
Feuilleton - deel 2 – de ontwikkeling van het karakter
Dit is een lang artikel! Neem een stukje tijd mee bij het lezen.
Geen tijd? Ik heb aan het begin ook een samenvatting voor je opgenomen.
Inleiding
Ik heb een groot deel van mijn leven onderzoek gedaan naar hoe mensen zich in gezelschap gedragen, welke zeden, gebruiken en gewoonten daarbij belangrijk zijn, welke deugden daar dan weer bij horen en waar het vaak schuurt en wringt.
In de jaren 90 van de 18e eeuw, de laatste jaren van mijn leven, heb ik specifiek onderzoek gedaan naar de invloed die ‘gezelschappen’ en ‘eenzaamheid’ hebben op de ontwikkeling van de mens. In het onderzoek ga ik achtereenvolgens in op:
- De ontwikkeling van het verstand,
- De ontwikkeling van het karakter en
- De ontwikkeling van de zeden.
Op 5 september 2026 heb ik een eerste artikel hierover gepubliceerd, over het thema ‘De ontwikkeling van het verstand’. Dit is deel 2 van het feuilleton. In dit deel ga ik in op het thema; de ontwikkeling van het karakter.
Samenvatting
Nadat ik gereed was met de tekst, waar jij nog aan moet beginnen met lezen, kreeg ik het beeld dat alles bij elkaar toch nog best een lange tekst is. Ik heb geprobeerd om de originele pakweg 240 pagina’s samen te vatten in ongeveer 12 A4-tjes. Voor de gemiddelde hedendaagse lezer is dat toch (te) veel, zeker om te lezen op een website.
Om je als lezer tegemoet te komen begin ik met een samenvatting in zeven punten. De liefhebbers kunnen daarna verder lezen en meer de inhoud in.
- De ontwikkeling van een deugdzaam karakter. Ik beschouw een deugdzaam karakter niet als aangeboren, maar als het resultaat van opvoeding, ervaring en oefening. Het gaat mij niet om afzonderlijke goede daden, maar om een blijvende, evenwichtige en betrouwbare houding.
- Deugden en maatschappelijke normen. Ik stel dat opvattingen over deugdzaamheid sterk worden bepaald door de maatschappelijke groep waartoe iemand behoort. Zelf (komend uit de burgerlijke klasse) hecht ik vooral waarde aan ingetogenheid, matigheid, zelfbeheersing, bescheidenheid en gepaste vrijmoedigheid.
- De betekenis van eenzaamheid. Eenzaamheid is voor mij een waardevolle omgeving voor zelfreflectie, zelfkennis en het ontwikkelen van een eigen geweten. Maar wie zich voortdurend afzondert, kan zijn deugdzaamheid niet werkelijk op de proef stellen.
- Gezelschap als oefenplaats. Het gezelschap is in mijn ogen onmisbaar voor de karaktervorming. In de omgang met anderen leren we rekening houden met elkaar, verleidingen weerstaan en deugden ontwikkelen door voorbeelden, ervaringen en gewoonten.
- Wijsheid en rechtvaardigheid. Ik stel dat praktische wijsheid alleen door ervaring met anderen ontstaat. Ook rechtvaardigheid vraagt om menselijk contact. Een belangrijke leerschool voor de ontwikkeling is de huiselijke kring. Vooral in huiselijke verhoudingen ontwikkelen we eigenschappen als dienstbaarheid, opofferingsbereidheid en empathie.
- Matigheid en moed. Matigheid zie ik als het vermogen onze begeerten te beheersen, juist wanneer we aan verleidingen worden blootgesteld. Moed vraagt daarnaast om zelfbewust optreden in gezelschap en standvastigheid tegenover de opvattingen en verwachtingen van anderen.
- Het belang van evenwicht. Mijn conclusie is dat gezelschap en eenzaamheid beide nodig zijn, beide hun rol hebben, elkaar aanvullen. Eenzaamheid biedt ruimte om na te denken over ons handelen; gezelschap biedt de gelegenheid om onze deugden te oefenen en te toetsen. Beide zijn noodzakelijk voor de ontwikkeling van een evenwichtig, deugdzaam karakter.
En voor de liefhebbers, ga je gang. Vanaf hier meandert de taal langs de verschillende facetten van de karaktervorming.
Deel 2: De ontwikkeling van het karakter
Ik wil beginnen om het begrip ‘karakter’ verder toe te lichten. Het gaat mij specifiek om de ontwikkeling van het karakter als een ‘deugdzaam karakter’. Wat bedoel ik daarmee? Een mens beschikt over een deugdzaam karakter als zhij in de omgang met anderen een houding heeft die past binnen de gangbare burgerlijke en maatschappelijke moraal.
Het gaat dus om het hebben van een houding. Het is dus niet een soort eigenschap van iemand; het is diens vaste manier van zijn. Het gaat niet om incidentele daden. Het gaat om hoe iemand van zichzelf is. Iemand met een deugdzaam karakter handelt gewoonlijk overeenkomstig de gangbare deugd, weet in verschillende omstandigheden het juiste midden te bewaren. Daartoe beschikt die persoon over een evenwichtige zelfbeheersing en laat zich niet voortdurend door hartstochten meeslepen. Bovenal is het een persoon die betrouwbaar is omdat zijn deugd een blijvende eigenschap geworden is.
Ik weet dat ik in deze zienswijze sterk beïnvloed ben door Aristoteles en Cicero. Waarvan akte. Ik voel me er goed bij. En evenwichtig. En deugdzaam zelfs ook. Deugden zijn geen losse daden, het is een blijvende karaktereigenschap.
Nu we dat helder hebben, kunnen we meer in detail gaan kijken naar de invloeden van respectievelijk ‘Gezelschappen’ en ‘Eenzaamheid’ op de vorming van dat deugdzame karakter. Want, ik neem de stelling in dat de deugdzaamheid van het karakter het resultaat is van o.a. opvoeding, ervaring, gewoontevorming en vooral oefening. In mijn beeld is de deugdzaamheid van het karakter dus niet bij de geboorte een ingebakken gegeven; het ontwikkelt zich geleidelijk binnen het maatschappelijke leven.
Kant, de olifant
Om de olifant in de kamer dan ook maar direct met man en paard te benoemen. Ik verschil hierover van mening met mijn concullega van destijds, de heer Immanuel Kant. Ook de heer Kant hanteert het begrip ‘moreel karakter’ als basis onder het handelen.
Hij legt daarbij de nadruk op de goede wil van waaruit iemand handelt. En natuurlijk ook vanuit de maxime dat “je zo moet handelen, dat als het een wet wordt die ook op jou van toepassing is, je zelf ook blij bent als het resultaat van die handeling jouzelf overkomt’.
Misschien een beetje cryptisch, maar ik ben dan ook altijd van mening geweest dat de heer Kant dan wel een groot denker was, hij was ook een zeer slechte schrijver. Kants maxime is overigens de geschiedenis ingegaan als het ‘Categorisch Imperatief’. Ik bedoel maar, dit begrip laat aan onduidelijkheid niets te wensen over.
Het grote verschil op het thema ‘deugdzaam karakter’ tussen de heer Kant en mij is:
- dat de heer Kant stelt dat het deugdzame karakter bepaald wordt door de principiële keuze om uit plicht volgens de morele wet te handelen, en
- ik stel dat dit primair voortkomt uit een evenwichtige vorming, ontwikkeling van deugden die samen je karakter vormen.
Ik ga het nu verder niet meer over de heer Kant of zijn denkbeelden hebben. Ik neem vanaf hier het podium voor mijn eigen zienswijze op wat een ‘deugdzaam karakter’ is.
Het begrip ‘deugdzaam karakter’
Uit mijn onderzoek blijkt dat er verschillende deugden en ondeugden zijn die steeds terugkomen en op een bepaalde manier verband houden met een deugdzaam karakter. Om het behapbaar te houden, en ik weet dat ik de zaak daarmee versimpel, beperk ik me voor dit artikel tot de belangrijkste (on)deugden.
Ook wil ik op voorhand aangeven dat een aantal deugden, die in het Pruisen van mijn tijd erg belangrijk waren, anno 2026 een andere betekenis en waarde hebben. Ik probeer zoveel mogelijk bij de betekenis te blijven die ze hadden toen ik het werk schreef.
Tenslotte wil ik op voorhand aangeven dat ik me realiseer, dat de aanvliegroute om de deugden te typeren gevoed is vanuit mijn burgerlijke opvoeding, de maatschappelijke klasse waar ik toe behoorde. Nu ik zo terugkijk, zie ik dat veel duidelijker dan destijds toen ik het werk schreef. Het is inmiddels een soort oneliner, afkomstig uit de Verenigde Staten: “where you stand depends on where you sit’. Je positie bepaalt het perspectief van waaruit je kijkt.
Daarbij moet ook niet vergeten worden dat de groep de norm bepaalt; een klasse (als groep) bepaalt met elkaar hoe naar de deugden gekeken worden en welke normen daarbij horen. Dit gebeurt als groepsdynamisch proces zowel bewust als onbewust, zowel expliciet benoemd als impliciet verwacht.
In het Duits hadden we hier een mooi begrip voor: ‘Leute machen Leute’, te vertalen als ‘Mensen maken mensen’. Je vormt je naar de groep, ook moreel. Het Nederlands kleinburgerlijke ‘Ons soort mensen’ is hier een variant op.
Een groep mensen heeft dus, afhankelijk van de klasse binnen de samenleving, een onderlinge afspraak over de normen die op de deugden van toepassing zijn, en deze normen kunnen per groep verschillen, zullen per groep verschillen. Dit heeft 1-op-1 effect op wat men (de groep) belangrijk vindt voor het hebben van een ‘deugdzaam karakter’. Maar wat bedoel ik nou eigenlijk met ‘deugdzaam karakter’?
Allereerst het woord ‘deugdzaam’. Dat woord gaat voor mij verder dan alleen moreel. Het gaat om de manier waarop iemand zich passend verhoudt tot de zeden en gewoonten, die binnen de burgerlijke en maatschappelijk moraal gangbaar zijn. Het woord heeft een sterk praktische en sociale betekenis. Een mens is deugdzaam doordat hij in de omgang met anderen de juiste houding ontwikkelt en toont.
En daarmee kom ik op het tweede woord; het woord ‘karakter’. Het gaat niet om de beoordeling of de handelingen die iemand doet – of niet doet – deugdzaam zijn. Het gaat om de houding dit iemand heeft, en die zhij van nature heeft. Iemand met een deugdzaam karakter handelt gewoonlijk – uit zichtzelf – overeenkomstig de gangbare opvatting over deugd. Zhij weet in verschillende omstandigheden de vereiste houding te tonen en laat zich niet voortdurend meeslepen door grillen of hartstochten.
Het is iemand met een evenwichtige zelfbeheersing; iemand die betrouwbaar is omdat diens deugd een blijvende eigenschap is geworden. Zhij is een morele persoonlijkheid, niet iemand die duidelijk een rol speelt wat er van haarhem verwacht wordt. Bij iemand met een deugdzaam karakter vloeien de goede handelingen voort uit diens gevormde persoonlijkheid.
Die vorming is het resultaat van opvoeding, gewoontevorming, ervaring en oefening. Je krijgt dit niet mee bij je geboorte; je karakter ontwikkelt zich geleidelijk binnen het maatschappelijke leven. Dat impliceert dat je moet oefenen, ervaring op moet doen en een lerende houding moet hebben.
Eigenschappen van een deugdzaam karakter
Om vanuit mijn perspectief van de ‘kleinburgerlijke klasse’ met de deur in huis te vallen; een hele belangrijke eigenschap voor een deugdzaam karakter is ‘Ingetogenheid’. Ik blijf dat een mooi woord vinden. Veel mooier dan het woord ‘sober’, dat binnen de Protestants Christelijke kringen gebezigd werd (en nog wordt). Ik positioneer me daarmee ook al een beetje aan de kant van het begrip ‘Eenzaamheid’. Daar ben ik me bewust van.
Onder de noemer ‘ingetogen leven’ verbind ik een reeks, voor mij hele belangrijke, begrippen. Allereerst matigheid en tevredenheid. Ook raakt het begrippen als spaarzaamheid en vlijt; typische protestants burgerlijke deugden. Ingetogen leven veronderstelt ook huiselijkheid en het hebben van een kleine kennissenkring. Soms schuurt het tegen eenzaamheid aan, dat ook een relatie veronderstelt met spaarzaamheid.
Vanuit dit perspectief wordt met argusogen gekeken naar het verkeren in gezelschap, vooral als dat gezelschap uit veel – verschillende soorten - mensen bestaat, die allerlei verleidingen teweegbrengen. Zo is het idee dat het zich begeven in zo’n gezelschap verleidt tot verkwisting (tegenhanger spaarzaamheid). Ook berooft het gezelschap je van je tijd (tegenhanger vlijt).
In mijn beeld zijn de volgende deugden belangrijk om tot een deugdzaam karakter te kunnen komen:
- Matigheid; niet teveel van iets willen; het juiste midden vinden tussen teveel en te weinig. Daarvoor is nodig:
- Zelfbeheersing; verleidingen weerstaan, hartstochten weerstaan, je verstand moet de baas zijn van je driften. Daar hoort ook een houding bij van:
- Bescheidenheid; niet protserig op je borst slaan hoe goed je bent, je plek kennen in gezelschappen. Maar dit moet op een prettige manier gecombineerd worden met:
- Gepaste vrijmoedigheid; op een prettige manier in de omgang voor anderen zijn, op een positieve manier in gesprek kunnen gaan, je zichtbaar thuis voelen in de groep.
Daarbij is alertheid nodig dat deze deugden niet doorslaan en ondeugden worden. Te denken is dan bijvoorbeeld aan:
- Vrijpostigheid; die is een vrijmoedigheid die niet goed is aangevoeld en door de groep aan aanmatigend ervaren wordt.
- IJdelheid; een soort van tegenhanger van bescheidenheid. Vanuit ijdelheid neem je een houding aan die de groep je niet toedicht, je niet gunt.
- Schuchterheid; de bescheidenheid kan ook het effect hebben dat je je helemaal niet op je plek voelt in de groep en heel verlegen wordt, je je heel bedeesd gedraagt; dat je eigenlijk niets durft te zeggen, met niemand durft te praten. Met die schuchterheid geef je aan dat je je niet op je plek voelt en de groep ervaart dat jij je niet lid van die groep voelt.
De vorming van een deugdzaam karakter en Eenzaamheid
Een aantal eeuwen geleden is de overtuiging ontstaan dat eenzaamheid als way-of-live tot een hogere graad van moraliteit leidt; tot een meer deugdzaam leven. Dit is met name ingegeven vanuit de religie in het algemeen en het christendom in het bijzonder, met zijn vele kloosters in verschillende smaken eenzaamheid en afzondering.
Vandaaruit hebben zich een aantal redenen ontwikkeld om uit te leggen dat het goed is om je in eenzaamheid terug te trekken. Om te beginnen noem ik er twee:
- Het is een plek om goed en diep na te denken over deugden en moraliteit, nodig voor het dagelijks handelen;
- Het is een plek waar je kan vluchten voor de verleidingen van de wereld, waar je kan ontsnappen aan de verderfelijkheid daarvan; waar je een toevluchtsoord kan vinden voor de onschuld.
Mooi allemaal. Prima dat er zulke plekken zijn. Maar als je overal van weg gehouden wordt kan je ook niet toetsen of je een deugdzaam karakter hebt. Deugd heeft het nodig om zich te kunnen bewijzen. Dat bewijzen kan niet in eenzaamheid; dat kan alleen in gezelschap waar de verleidingen zijn. Je moet de confrontatie aan kunnen gaan! Met vroomheid zelf schiet je niet veel op.
Dan is er ook nog een derde reden voor de eenzaamheid:
3. Boeten doen voor je zonden, om Gods genade te verkrijgen.
Ook daarvoor is bedacht dat je dat het beste in eenzaamheid moet doen, weg uit het gezelschap met diens verleidingen. Het was natuurlijk ook een sluwe manier om de kloosters vol te krijgen.
Waren dit nu oneigenlijke argumenten? Niet helemaal. Als je uit de drukte van het gezelschap komt, doet eenzaamheid wel het een en ander met je. Zo is bijvoorbeeld zelfbeheersing een belangrijke deugd en basis voor veel andere deugden. Zelfbeheersing heeft ook een relatie met standvastigheid.
Je moet leren om thuis te zijn in jezelf. Daar moet je voor oefenen. Je moet voor dat oefenen ook in eenzaamheid kunnen zijn. En dat oefenen lijken velen tot de deugd zelf verheven te hebben; eenzaamheid als deugd. Maar in mijn beeld ben je dan een beetje doorgeslagen en de balans voorbij.
Daarbij moet ook een ander belangrijk element niet uit het oog worden verloren. Een samenleving ontwikkelt diens zeden en gewoonten niet vanuit de eenzaamheid; die ontwikkeling van de zeden vindt juist plaats binnen gezelschappen.
En met het groeien van de samenleving binnen het groeien van gezelschappen, die continu verrijkt worden met nieuwe deelnemers die hun zeden en gewoonten meebrengen en inbrengen.
Met de opkomst van de burgerlijke samenleving was een van de eerste stappen om tot die burgerlijke cultuur te komen, juist in elkaars gezelschap te verkeren. En niet vergeten dat ook via de religie bewust aan samenkomsten vorm gegeven is, juist om die gezamenlijke cultuur vorm te geven.
Bildung morele grondbeginselen
Ik besef dat Bildung wel een heel erg typisch Duits begrip is voor opvoeding en onderwijs; voor het zich ontwikkelen tot een volwaardig lid van de samenleving. Hiertoe behoort ook de ontwikkeling van veel verschillende deugden. Maar als sinds de Grieken steekt er één deugd met kop en schouders bovenuit: het leren van wat rechtvaardigheid is.
Hierbij moet je op je eigen handelen leren reflecteren en zelfkennis ontwikkelen. De oude Griek Pythagoras had daarvoor al tips; bijvoorbeeld om de dag af te sluiten met een zelfgesprek over je handelen van die dag.
Het is verstandig om deze vorm van zelfreflectie met jezelf te oefenen. Daarvoor is een momentje eenzaamheid het beste. In gezelschap wordt er in morele termen vaak over iemand gesproken, maar zelden met die iemand. Dat voelt veel te onveilig. Voor je het weet wordt je uitgedaagd voor een duel!
Daarbij wordt je in een gezelschap vaak geconfronteerd met rijkdom, aanzien en macht van anderen. Die aspecten winnen het vaak qua aandacht van de moraliteit. Ze staan ook vaak juist op gespannen voet met deugden en zeker met de deugd rechtvaardigheid.
Vooral de jeugd uit de hogere klassen ondergaat zoveel verleiding en verlokking dat het voor hen moeilijk is om een goed gevoel voor de deugden te ontwikkelen en een goed geweten te funderen.
Het is daarom aan te bevelen om voor de Bildung en voor de ontwikkeling van het geweten af te wisselen tussen reflectie in eenzaamheid en observeren en oefenen in gezelschappen.
Gezelschap als basis voor Handelingen en Gewoonten
Het betreft hier om drie aspecten. Als eerste gaat het om het leren onderscheiden van handelingen die goed zijn en die slecht zijn, rekening houdend met de situatie en je drijfveren. Je hebt voor dat handelen andere mensen nodig, waar je handelen effect op heeft. In eenzaamheid kan je wel moreel denken, maar nooit moreel handelen.
Hier speelt het besef van eigenheid en het ‘eigen belang’ een grote rol, afgezet tegen het gelukkig maken van andere mensen of andere mensen voor schade behoeden. Zelfbeheersing is hierin een belangrijke deugd; het is de moeder van alle deugden.
In een gezelschap moet ieder iets van diens eigen eigenheid opofferen en de algemene wil boven zijn eigen wil stellen. Hoe groter de groep, hoe meer dot aan de orde is. Daarvoor zijn nodig ‘Zelfkennis’ en ‘Opmerkzaamheid’. Daarbij moet je alert zijn op je ‘ijdelheid’.
Een tweede aspect is dat een gezelschap laat zien welke deugden we tot ontwikkeling moeten brengen. Heeft het gezelschap een zakelijk karakter dan gaat het bijvoorbeeld om dingen als ‘woord houden’ en ‘punctueel zijn’. Heeft het gezelschap een meer vriendschappelijk karakter dan gaat het om ‘vertrouwen’ en het kunnen bewaren van geheimen. Voor beide gelden natuurlijk ook deugden als ‘eer’, ‘waardigheid’ en ‘integriteit’. En ook dit kan je alleen maar oefenen door je in gezelschappen te bewegen. Als je dat alleen in eenzaamheid doet, dan is het een soort schriftelijke cursus wijnproeven.
En dan komen we bij het derde aspect; het gezelschap om gewoonten te creëren. Dit is misschien wel het belangrijkste aspect. Hierbij gaat het om voorbeelden van gewenst gedrag te zien en na te doen, te oefenen. Je merkt in een gezelschap ook dat de leden ervan elkaar als het waren ‘aansteken’ in gewenst gedrag. Het gaat dan met name om de generieke gewoonten en gedragingen van de groep als totaal.
Het is daarbij aan te raden alert te zijn op het effect hiervan op de ontwikkeling van jonge mensen. De grootste invloed gaat niet uit van het zien van voorbeelden, maar van het meedoen aan de gebruiken en gewoonten. En nu wordt het extra opletten.
In gezelschappen van volwassen gaat het daarbij ook vaak om alcoholische dranken, om spel en – natuurlijk – om de liefde. Vaak worden alcoholische dranken ingezet om de mensen een beetje losser te maken. Het element spel wordt vaak ingezet als tijdverdrijf, om iets te doen te hebben of om naar te kijken. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld een optreden van iemand of het samen doen van een spel, bijvoorbeeld kaarten.
Meer massaal gaat het element spel vaak over bijvoorbeeld toneel, muziek of sport (voetbal is heel populair), maar kan ook gaan over bijvoorbeeld stierenvechten of – zoals vroeger bij de Romeinen – gladiatorenspelen. Het type spel dat in gezelschappen populair is zegt veel over de cultuur en moraliteit van een volk.
Binnen kleinere gezelschappen is het spel waar je aan mee kan doen, het meest populair. Een vast ingrediënt is dat er iets te winnen moet zijn, er moet een vorm van – beschaafde – strijd zijn. Blijkbaar hebben we dat als mensen nodig. Heraclitus (oude Griek, 6e eeuw voor onze jaartelling) stelde al dat ‘strijd’ de vader van de mensheid is.
Met het spel kan je in het gezelschap oefenen met deugden. Naast dingen als ‘eigen belang’ en ‘ambitie’ pak ik er drie uit:
- Eerlijkheid: je aan de spelregels houden;
- Slagvaardigheid: handig gebruik te maken van kansen die ontstaan;
- Standvastigheid: vasthouden aan je doel, ook bij tegenslag, bij ‘geen geluk’.
Ja, en dan de liefde. Pffff. Dat luistert voor de ontwikkeling van jonge mensen heel nauw. Aan de ene kant oog leren krijgen voor het spel van de verleiding, en daar ook mee oefenen. Aan de andere kant niet reddeloos in de ludduvudu terechtkomen of anderen ludduvudu aandoen.
Gezelschap, eenzaamheid en de Kardinale Deugden
Als laatste onderdeel van het effect van gezelschap en eenzaamheid op de vorming van het karakter wil ik stilstaan bij de effecten op de Kardinale Deugden; de vier deugden die al sinds de oude Grieken als de vier belangrijkste deugen beschouwd worden. Achtereenvolgens ga ik nader in op: 1) Wijsheid, 2) Rechtvaardigheid, 3) Matigheid en 4) Moed.
Ad 1) Wijsheid
In het Duits heet deze deugd ‘Klugheit’. Daarmee bedoel ik een soort van praktische wijsheid; weten wat in specifieke situaties wijs is om te doen, en te laten. Dit lukt echt niet om in eenzaamheid te ontwikkelen. Je moet hiervoor de speeltuin in; je moet je ervaring opdoen temidden van het gezelschap.
Ja, je kan en zal soms de plank misslaan, op je bek gaan, een flater slaan. Gaat allemaal gebeuren. Hoort erbij. Het is wel verstandig om daar met jezelf of met iemand anders op te reflecteren. Door reflecteren kan je leren.
Ad 2) Rechtvaardigheid
Dit is best een breed begrip. Om het behapbaar te maken breek ik het begrip op in twee stukjes. Het begrip rechtvaardigheid in 1) engere zin; als plicht je aan de wet te moeten houden en 2) bredere zin; weldadigheid richting andere mensen.
Rechtvaardigheid is ook heel lastig om vol te houden. Als mens hebben we drijfveren zoals ambitie, eerzucht, heerszucht en liefde voor geld; een basale trek om altijd je bezit te willen vermeerderen. Dat geldt zelfs voor de Tataren die Godvergeten op de steppes leven. Het verkrijgen van die dingen zit rechtvaardigheid vaak in de weg.
Daarbij geldt ook, dat hoe groter de groep waar je je in wilt profileren, hoe groter je rijkdom en aanzien moet zijn, hoe groter de kans is dat je dat – eigenlijk – onrechtvaardig verkregen hebt.
Hoe dan ook met al die drijfveren, ambities en verlokkingen, om ons als mensen tegen elkaar te beschermen hebben we wetten bedacht. Die weten moeten rechtvaardigheid brengen, op die onderdelen waar we dat als mensen onderling niet kunnen.
En dan naar het tweede, meer morele, deel van rechtvaardigheid. Binnen al deze dynamiek is het willen ‘weldoen’ een neiging die er niet zomaar is. Dit wordt bepaald door je opvoeding en je eigen situatie. Voor ‘weldoen’ moet je ervaring opdoen tussen de mensen.
In mijn beeld zijn de huiselijke verhoudingen de beste school om je deugd om ‘wel te willen doen’ te ontwikkelen. Je wilt graag dat de mensen die je lief zijn, die om je heen zijn, het goed hebben, Het huwelijk en het ouderschap geven hiervoor een hele goede bodem.
Deugden die hierin tot ontwikkeling komen zijn bijvoorbeeld:
- De opmerkzaamheid op wensen, neigingen en stemmingen van andere mensen;
- De bereidwilligheid om eigen dingen op te offeren;
- Dienstbaarheid naar elkaar;
- Interesse in anderen, en bovenal
- Empathie.
Voor de ontwikkeling hiervan moet je in gezelschap van andere mensen verkeren. Eenzaamheid is hier geen goede basis oor. Eenzaamheid leidt makkelijker tot egoïsme, tot koppig- en halsstarrigheid, en tot ijdelheid.
Ik moet hier even een klein uitstapje maken. IJdelheid is hierin een broos ding. Het gevaar van ijdelheid is dat je er zelf niet over gaat; het gaat om hoe je gezien wordt door anderen. En dat staat voor een deel buiten je macht.
Daarbij is het de natuur van de mens dat hij zich belangrijker voelt en zich meer trots voelt, als hij door veel anderen van gelijke stand en aanzien omgeven is. Bijvoorbeeld zoals je je als lid kan voelen van de Vrijmetselaars (in mijn tijd heel populair) of nu de Rotary of de Lions-clubs.
Aan de ene kant moet je leren dat je je niet afhankelijk maakt van de mening van anderen over je. Je moet leren je eigen maatstaf voor je waarden te zijn. Heb je dit te veel, en dat is de andere kant, dan is er de kans dat anderen je als arrogant en ijdel zien. En dat wil je ook niet.
Het kan op dit punt ook gebeuren dat je juist door je ijdelheid terugtrekt uit een gezelschap, of door een gezelschap wordt uitgesloten, en in eenzaamheid gaat leven. Dat kan zijn omdat je in je ijdelheid gekrenkt bent en je niet gewaardeerd of gezien voelt. Het kan ook omdat je uit ijdelheid de eenzaamheid opzoekt om je imago hoog te houden en de kans op ‘uitglijders’ zo klein mogelijk te houden (dit werd ook Pericles verweten).
Ad 3) Matigheid
Op het eerste gezicht lijkt eenzaamheid met matigheid verwant en lijkt gezelschap voor matigheid gevaarlijk te zijn. Het is echter niet dat eenzaamheid iemand gematigd maakt; het is iemand die gematigd is, die goed in eenzaamheid gedijd.
Eenzaamheid is heel goed om dingen te ontwennen; je leert tevreden te zijn met jezelf, aan jezelf genoeg te hebben. Ingetogenheid (daar is die weer) en matigheid zijn belangrijk in de opvoeding van het karakter van jonge mensen, zeker als ze uit de rijkere standen komen.
Het maakt voor matigheid ook een groot verschil of je tussen luxe bent opgegroeid of dat je er op latere leeftijd kennis mee maakt. Bij dat laatste is de kans je matigheid te verliezen groter. Dat geldt vice versa ook als je in een ingetogen omgeving bent opgegroeid.
Ik besef dat ik bij de deugd matigheid sterk beïnvloed ben door de stoïcijnse school, met name Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius. Zij stellen bijvoorbeeld dat iemand die zijn lot accepteert, van zichzelf gematigder is dan iemand die dat niet doet. Bij die houding hoort ook dat je je over niets verbaast, en beseft dat alles je kan overkomen.
Echter, je hebt de omgeving van gezelschap nodig om uit te proberen of je over voldoende matigheid beschikt, of dat je snel je maat verliest. Je hebt de omgeving van het gezelschap nodig om de begeerten die in je aangeroepen worden ‘de baas’ te kunnen blijven. Het gezelschap is vaak de uitgelezen plek om begeerten, die iedereen meer of minder sluimerend heeft, wakker te roepen en bij elkaar aan te wakkeren. Dus is het ook de uitgelezen plek om echt te oefenen.
Vanuit de Stoicijnen (en ook vanuit het belang dat de ratio binnen de Verlichting heeft) zal het je niet verbazen dat ik stel dat je moet leren om met je verstand en je ratio die begeerten en verleidingen de baas te blijven en matigheid in het vaandel moet houden.
Ad 4) Moed
En nu komen we bij de laatste van de vier Kardinale deugden: Moed. Ik maak onderscheid tussen verschillende vormen van moed. Als eerste begin ik bij de vorm van moed die iedereen het meest voor ogen heeft; dingen doen met gevaar voor eigen lijf en leden, moed bij strijd en slagveld.
In mijn tijd was dit vooral belangrijk bij de adel; die klasse leverde ook meestal de militairen in de officiersrangen. Jan-Soldaat, het bajonetten- en kanonnenvoer was voorbehouden aan de lagere klassen en de armen. Speciale, de romantiek prikkelde, aandacht ging hierbij uit naar de ‘Huzaren’; jonge mannen in mooie uniformen. Een huzaar was een lichtbewapende militair te paard die werd ingezet voor verkenning en snelle aanvallen. Met name deze tot de verbeelding sprekende groep stond bekend om hun kordate optreden, kameraadschap en moed. Huzaren waren zeer geliefd bij de jonge adellijke dames, diens harten ze sneller deden laten kloppen, tot zwijmelen en flauwtes aan toe.
Als jonge man van adel lag het voor de hand dat je je bewees in tijden van oorlog. Je had immers geen beroep of ambacht waar je in kon uitblinken. Algemeen kan gesteld worden dat binnen een gezelschap die deugd wordt nagestreefd die binnen dat type gezelschap de meeste eer met zich meebrengt. In de adellijke kringen van mijn tijd stond moed dik op nummer 1; vooral bij vrouwen die op zoek waren naar een man die bewezen had hen goed te kunnen beschermen.
In het algemeen hadden militairen, en dat gold voor militairen uit alle klassen, een beentje voor. Dit werd vooral ingegeven door de plicht die ze vanwege hun beroep hebben om moed te moeten tonen. Het aspect dat je als militair met je kameraden een hecht gezelschap vormt, en alle deugden die daarbij horen, is daarbij uitermate belangrijk. Mensen die solitair, vanuit eenzaamheid werken zijn zelden goede soldaten.
Het is denk ik daarom ook dat de algemene opinie was dat je als jonge man je dienstplicht moest vervullen om je voor te bereiden op het volwassen leven. Voor grote dingen in het leven heb je Macht en Moed nodig (en soms Geweld, dat je dan niet uit de weg moet gaan). Als je in je burgerlijke omgeving ‘zacht’ bent opgevoed, ontneem iemand het ontwikkelen van de deugd om dapper het initiatief in eigen hand te nemen, op eigen kracht.
De tweede vorm van moed is gericht op de manier waarop iemand zich in een gezelschap positioneert. Moed heeft hier te maken met het vinden van het juiste midden tussen schuchterheid en aanmatigende vrijpostigheid. Om je zelfbewust en op een passende manier binnen een gezelschap te begeven moet je je angst voor de vooroordelen die anderen mogelijk over je hebben naast je neer kunnen leggen. Ook moet je je niet van je stuk laten brengen door de verhalen van pracht en praal van de anderen.
De ontwikkeling van deze vorm van moed vereist dat je je in gezelschappen begeeft, en het liefst verschillende soorten gezelschappen, met ieder hun eigen eigenheden.
De meeste mensen, zeker als ze nog jong en onervaren zijn, maken deze ontwikkeling door, vertrekkend vanuit schuchterheid. Vaak stellen mensen zich in eerste instantie gereserveerd op bij alles wat vreemd en nieuw is. Je hebt dan nog geen goede inschatting over de mate waarin je gelijk of juist ongelijk bent aan de anderen in het gezelschap. Als je ongelijkheid voelt, heeft dat vaak schuchterheid als gevolg.
Zo kan je je schuchter voelen in een gezelschap van mensen die beter zijn opgeleid. Ook ongelijkheid op grond van eigendom en vermogen is hardnekkig om mee om te gaan. Er ontstaat dan een spanning tussen je zelfbeeld en de dynamiek door in dat gezelschap te zijn. Je hebt het gevoel dat je de ‘mindere’ bent; dat je minder bent dan je dacht te zijn.
Ook kan het zijn dat je je in een gezelschap begeeft zonder dat je daar echt een verbinding mee voelt; ‘Wat doe ik hier?'. Ook dat doet iets met je. Je kan je dan schuchter voelen; ‘Ik hoor hier eigenlijk niet?’.
Het kan dan juist ook naar de andere kant omslaan en je een houding en gedrag geven die juist vrijpostig is en aanmatigend; ‘wat de piep, ik zeg jullie effe lekker waar het op staat!'. Dat heeft dan te maken met een soort onverschilligheid over wat de groep van je vindt, je voelt je van de groep onafhankelijk en – waarschijnlijk – boven de groep verheven. Het risico hier is dat je ‘pedant’ gevonden wordt, en misschien ben je dat dan ook, en maakt je dat helemaal niets uit.
En omdat mijn wereld meestal uit eenheden van drie bestaat, onderscheid ik ook een derde vorm van moed; standvastigheid. Ook daar is moed voor nodig. Dat geldt zeker binnen het verkeren in een gezelschap, waar anderen een mening hebben over wat jij vindt, doet of juist niet doet. Tussen al die meningen is moed nodig om bij je standpunt te blijven.
Daarbij speelt ook dat men in gezelschap niet graag twijfelachtig wil overkomen. Dit geeft ook vaak een gevoel van schaamte. Dat is een hele intense emotie, die veel mensen willen vermijden. Binnen gezelschappen is standvastigheid belangrijk, zeker als de doelen groot zijn, er veel mensen betrokken zijn en er dus veel andere meningen zijn ‘hoe het beter kan’. Met de moed tot standvastigheid kom je tot grotere presentaties. En ja, daar hoort ook meer druk bij, die gevoeld wordt.
Epiloog
In dit tweede deel heb ik verkend welke effecten respectievelijk het verkeren in gezelschap en in eenzaamheid kunnen hebben op de ontwikkeling van het karakter. Ik wil nogmaals benadrukken dat voor een evenwichtige ontwikkeling beide nodig zijn; de eenzaamheid om te reflecteren en het gezelschap om te oefenen. Dat oefenen in gezelschap is nodig omdat daarbinnen voor de meeste mensen het dagelijks leven ook plaatsvindt. Het is dus niet alleen oefenen; het is ook de plek waar het ‘voor het echie’ is.
Deel 3, het sluitstuk van het feuilleton, is in verdere voorbereiding.




